Introductie & geschiedenis

Een fresco is een muurschildering gemaakt van pigmenten en water aangebracht op verse nog vochtige kalkmortel.

Een fresco bestaat uit twee à drie voorbereidende lagen. De laatste laag, de schilderlaag, wordt gemaakt in dagdelen. Zo’n dagdeel of ‘giornata’ is de hoeveelheid stuc die in één dag beschilderd kan worden. De grootte van de ‘giornata’ is dus afhankelijk van de complexiteit van de schildering.
Blootgesteld aan de zuurstof in de lucht begint de kalk te carboniseren. Dit uitharden zorgt ervoor dat de pigmentdeeltjes van de verf ingesloten worden door de kalk. De schildering ligt dan ook niet op de muur maar maakt er deel van uit.
Het carbonisatieproces gaat maanden door, wat tot gevolg heeft dat het fresco in de loop der tijd stralender van kleur wordt, naarmate de kalk droger (dus wiiter) wordt.

Geschiedenis

Fresco’s werden al gemaakt door de Egyptenaren, de Grieken, Etrusken en Romeinen. Maar aan het begin van de Middeleeuwen was deze techniek in grote delen van Europa in de vergetelheid geraakt.
De Italiaanse schilder Giotto (1266-1337) heeft de frescotechniek nieuw leven ingeblazen. In de Renaissance bereikte de frescoschilderkunst haar hoogtepunt met werken van beroemde kunstenaars als Piero della Francesca (1415-1492), Michelangelo Buonarotti (1475-1564) en Rafael/ Raffaello Sanzio (1483-1520).